Op 18 mei was er in de Eerste Kamer een adviesronde over de vraag of in box 3 voor al het vermogen de vermogenswinstsystematiek zou moeten worden ingevoerd. Volgens de liggende wet zal die systematiek alleen gelden voor vastgoed en aandelen in startups en scale-ups. Het rendement van het overige vermogen zal jaarlijks volgens de aanwassystematiek worden belast. Het heeft er alle schijn van dat de vermogenswinstsystematiek in 2028 de algemene regel gaat worden. Daarvoor is een krachtige lobby gevoerd. Spaarders/beleggers zullen dan massaal op zoek gaan naar beleggings- en productvormen met uitgestelde heffing, en financiële instelling zullen zich niet onbetuigd laten. Zie ook https://fiscalert.nl/belastingen/artikelen/box-3-eerste-kamer-twijfelt-over-belasting-op-papieren-wi...
Bij de vermogenswinstsystematiek vindt heffing over de waardeaanwas pas plaats bij verkoop (realisatie). Dit uitstel van belastingheffing betekent een lager effectief tarief dan de statutaire 36%. Zo drukt een schuld van €10.000 die je pas na, zeg, 10 jaar hoeft te betalen minder dan eentje waarvoor je onmiddellijk de beurs moet trekken. De verklaring is dat de belastingbetaler gedurende de betreffende periode rendement kan behalen met de belasting die hij nog niet hoeft te betalen. Bij een rendement van 6% en 10 jaar uitstel bedraagt de effectieve fiscale druk 30%.
In de eerste jaren van invoering zal sprake zijn van een initiële derving voor de schatkist. Econoom Bas Jacobs schat deze in totaal op het niet geringe bedrag van 12 à 14 miljard. Het pleidooi voor vermogenswinst zonder hier iets over te zeggen is het vragen om ‘gratis bier’. De Minister van Financiën zal dit niet kunnen laten passeren. Ik schat dat het box 3-tarief zal moeten worden verhoogd tot minimaal 40% om de structurele derving op te vangen. In theorie kan de compensatie natuurlijk ook buiten box 3 worden gevonden, bijvoorbeeld verhoging van het box 1-tarief of van het eigen woningforfait. Het is niet zo moeilijk de handen op elkaar te krijgen voor fiscale verzachtingen. Anders is het bij fiscale verzwaringen, die nodig zijn om de begroting enigszins sluitend te krijgen. Daarom is de post van Minister van Financiën niet te benijden.
In NL Fiscaal (Opinie 2024/5) heb ik betoogd dat vermogenswinst leidt tot discriminatie van spaarders. Beleggers hebben een lagere druk. Er is niet veel intelligentie nodig om dan vast te kunnen stellen dat spaarders een hogere druk hebben. Die moeten van jaar tot jaar over de genoten rente afrekenen, wat betekent dat hun effectieve tarief gelijk is aan het statutaire. Stel dat dit tarief vanwege bovengeschetste derving naar 40% gaat, dan houdt hij afgezien van de vrijstelling bij een rente van 2% 1,2% over. Na aftrek van 2,5% inflatie komt zijn reële rendement uit op negatief 1,3%. Voor de belegger met uitgestelde belastingheffing is bij een statutair tarief van 40% de effectieve druk 34% (bij 6% rendement en 10 jaar uitstel). Netto houdt hij van die 6% dan 3,96% over. Na aftrek van 2,5% inflatie resteert een reëel netto rendement van 1,46%. Ik zet het even op een rijtje.
| Bruto rendement | Statutair
tarief | Effectief tarief | Netto voor 2,5% inflatie | Netto na 2,5% inflatie |
Spaarder | 2% | 40% | 40% | 1,20% | -/-1,30% |
Belegger | 6% | 40% | 34% | 3,96% | 1,46% |
Het gunstige verschil in reëel rendement voor de belegger ten opzichte van de spaarder bedraagt 2,76%. Het is wrang dat beleggers gemiddeld een hoger rendement genieten dan spaarders en waarschijnlijk aan een lager effectief tarief zullen worden onderworpen. Het draagkrachtbeginsel op z’n kop; de zwakste schouders dragen de zwaarste lasten.
Henry Meijer
28 mei 2026
Tags