Bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) een overbodig cadeau voor rijke families

Voor ondernemingsvermogen geldt een vrijstelling van schenk- en erfbelasting: de eerste 1,5 miljoen is vrij, het meerdere is voor 75% vrijgesteld. Dit bevoordeelt erfgenamen van rijke families. Belastingadviseurs vinden de regeling gewenst. Wetenschappers daarentegen zijn vrijwel unaniem van mening dat deze vrijstelling niet nodig en niet rechtvaardig is. Een voorbeeld illustreert dit.

Henk Groenendaal erft het bedrijf van zijn ouders. Het bedrijf is €1,5 miljoen waard. Dankzij de successievrijstelling voor bedrijfsoverdrachten binnen de familie is hij hierover geen erfbelasting verschuldigd.
Mieke Houtsnijder erft €1,5 miljoen van haar vader, een banksaldo. Zij is doende voor €1,5 miljoen het bedrijf van haar werkgever over te nemen. Omdat zij €279.481 erfbelasting is verschuldigd, moet zij voor dat bedrag een financiering aangaan. De plaatselijke Rabobank is daartoe bereid tegen 5% rente, lineair af te lossen in 10 jaar. Accountant Marian heeft haar verzekerd dat dit makkelijk zal lukken.

Dit maakt twee dingen duidelijk:
1. De BOR discrimineert Mieke.
2. De BOR is overbodig, omdat Henk net als Mieke de €279.481 bij een bank had kunnen lenen. Ook zonder de vrijstelling had hij het bedrijf dus kunnen voortzetten.

De BOR kan een averechts effect hebben als familiebedrijven in handen komen van kinderen, terwijl zij niet de geschiktste opvolgers zijn. Stel dat het bedrijf daardoor een waardevermindering van 30% ondergaat. In dat licht kan men het bedrijf beter buiten de familie verkopen en de 20% successieheffing voor lief nemen. Dat zou zowel voor de samenleving als voor de familie het beste zijn.

Ik laat een citaat volgen van hoogleraar Maarten de Groot met dezelfde strekking: ‘Ondernemende families en hun bedrijven zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de werkgelegenheid en het bruto binnenlands product in Nederland. Ze vormen een belangrijke bron van filantropisch kapitaal, start-up financiering, technologische innovatie en hebben een bovengemiddelde pro-sociale oriëntatie. Jammer genoeg lukt het bijna 70 procent van hen niet om het vermogen slechts één generatie door te geven. Bij de derde generatie is dit percentage verder gezakt tot onder de 10%. Waarom slagen zovelen er niet in om de welvaart in gezamenlijkheid te behouden voor meerdere generaties?’.